FireCom-brandmeldcommunicator – installatie- en programmeerhandleiding
Installatie- en programmeerhandleiding voor de Trikdis FireCom-brandmeldcommunicator met Ethernet en 4G (EN 54-21, EN 54-4): voeding en accu, aansluiting op de uitgangen of de RS485-bus van de brandmeldcentrale (ESPA 4.4.4, NSC Solution, INIM Smartline, C-TEC Cast ZFP, Polon-Alfa 3000), instellen in TrikdisConfig, doormelding naar de meldkamer, Protegus 2, bediening per sms en telefoonoproep.
- 78 min lezen
1. Overzicht
De Trikdis FireCom is een EN 54-gecertificeerde brandmeldcommunicator met een Ethernet- en een 4G-verbinding via het mobiele netwerk (twee simkaarten).
De FireCom stuurt de meldingen van de brandmeldcentrale via het lokale netwerk (LAN) en/of het mobiele netwerk door naar de ontvanger van de meldkamer. Werkingsprincipe: als een ingang (zone) van de communicator wordt geactiveerd, stuurt de FireCom via mobiel internet en/of het lokale netwerk een gebeurtenismelding naar de ontvanger van de meldkamer of naar de Protegus 2-app; daarnaast kan hij ook een sms sturen en een telefoonoproep starten. De communicator is verkrijgbaar met een 4G-modem. De instellingen maakt u met de software TrikdisConfig, via een USB-kabel of op afstand.
| Certificering | Gegevens |
|---|---|
| Norm | De FireCom voldoet aan de eisen van de normen EN 54-21:2006 en EN 54-4:1997/AC:1999/A1:2002/A2:2006, en voldoet aan de prestatie-eisen die bijlage A van EN 54-21 stelt aan een transmissiesysteem van type 1. |
| Certificaat | 1922-CPR-2083 – Branddetectie- en brandalarmsystemen. Apparatuur voor het doormelden van brand- en storingsmeldingen. Voedingsapparatuur. |
| Certificerende instelling | No. 1922 „Dedal”, aangemelde productcertificatie-instelling – Nesebar, Mladost str. 50, 8230 Bulgarije |
| Technische ondersteuning van Trikdis | support@trikdis.lt, +37067422877 |
1.1 Waarvoor dient hij, hoe werkt hij
Verbinding met de brandmeldcentrale
- Aangesloten op de uitgangen van de centrale: de statusuitgangen van de centrale (alarm, storing enz.) worden op de ingangen van de FireCom aangesloten (paragraaf 3.4).
- Op de RS485 2-bus: voor brandmeldcentrales met het ESPA 4.4.4-protocol en voor de brandmeldcentrales NSC Solution, INIM Smartline, C-TEC Cast ZFP en Polon-Alfa 3000 (paragraaf 3.5–3.9); de Polon-Alfa 3000 kan ook via het lokale netwerk (LAN) worden aangesloten.
- Volgens EN 54 melden twee relaisuitgangen aan de centrale een storing van de verbinding met de meldkamer en de geslaagde ontvangst van een melding (paragraaf 3.12).
Meldingen naar de meldkamer
- De gebeurtenissen worden verzonden via de ingebouwde LAN-module of het 4G-modem.
- De gebeurtenissen worden via de beschikbare communicatiekanalen verzonden, in de ingestelde volgorde.
- Elke meldkamer kan de meldingen ontvangen als ze over een Trikdis-softwareontvanger of -IP-ontvanger beschikt, of over een IP-ontvanger van een andere fabrikant die het IP-protocol SIA DC-09 ondersteunt.
- De verzending naar de meldkamer kan voorrang krijgen: de meldingen gaan eerst naar de meldkamer en pas daarna naar Protegus 2.
- De communicator kan ook gebeurtenissen naar de ontvangers van twee verschillende meldkamerbedrijven sturen.
- De gebeurtenismeldingen worden verzonden met Contact ID- of SIA-codes.
Meldingen naar de gebruikers
- Belt de geselecteerde telefoonnummers (maximaal 8 gebruikers).
- Stuurt sms'jes over de gebeurtenissen.
- Stuurt pushmeldingen en gebeurtenismeldingen met een speciale toon naar de Protegus 2-app.
- Temperatuurbewaking op afstand.
Bediening van de uitgangen op afstand
- vanuit de Protegus 2-app;
- door het telefoonnummer van het apparaat te bellen;
- met een sms-bericht.
Instellen en installeren
- Instellen via een USB-kabel of op afstand, met de software TrikdisConfig.
- Firmware-update op afstand.
- Twee toegangsniveaus (accounttypes) voor de instellingen: installateur en beheerder.
In- en uitgangen
- 3 relaisuitgangen (1 A, 30 V DC).
- De ingang FLOOP dient voor het aansluiten van tweedraadse branddetectoren.
- 10 I/O-klemmen, die elk als ingang (IN) of als uitgang (OUT) kunnen worden ingesteld. Als ingang kunt u kiezen uit de types NC, NO, EOL, EOL_T, ATZ, ATZ_T. In EOL- en ATZ-kringen kunnen weerstanden met verschillende waarden worden gebruikt.
- Met iO-uitbreidingsmodules kan het aantal ingangen (IN) tot 32 en het aantal uitgangen (OUT) tot 16 worden uitgebreid.
- Op de RS485-bus (A1, B1) worden de uitbreidingsmodules van de iO-serie aangesloten.
- Op de RS485 2-bus (A2, B2) wordt de brandmeldcentrale aangesloten.
1.2 Technische gegevens
| Kenmerk | Waarde |
|---|---|
| Frequentiebanden van het LTE-modem | EU (Europa): LTE-FDD B1 / B3 / B5 / B7 / B8 / B20 / B28; LA (Latijns-Amerika): LTE-FDD B2 / B3 / B4 / B5 / B7 / B8 / B28 / B66 |
| Voedingsspanning | 15–32 V DC, 2,5 A |
| Stroomverbruik | in rust maximaal 50 mA; tijdens het zenden maximaal 300 mA; bij de hoogst mogelijke belasting met externe apparaten maximaal 2,5 A |
| Reservevoeding [BAT] | 12 V-loodaccu, 4 Ah / 7 Ah |
| Laadstroom van de accu | maximaal 500 mA |
| Voedingsspanning en -stroom voor externe apparaten [AUX] | 12 V DC, maximaal 1 A |
| Transmissieprotocol | TRK, SIA DC-09_2007, SIA DC-09_2012, SIA DC-09_IPcom, TL150 |
| Versleutelingssleutel | 6 tekens |
| Verbinding met de meldkamer | TCP/IP of UDP/IP |
| Gebeurteniscodes | Contact ID, SIA |
| LAN-module | ja, ingebouwd |
| Instelling van het LAN-netwerk | DHCP of handmatig |
| Simkaart | 2 stuks, nano-formaat |
| Meldingsbestemmingen | naar de primaire en de reserveontvanger van twee verschillende meldkamerbedrijven; naar de Protegus 2-cloud, naar de Protegus 2-app voor iOS en Android; per sms naar 8 mobiele telefoons; belt 8 mobiele telefoons |
| Kanalen voor het verzenden van gebeurtenissen | 4G, Ethernet (LAN), sms, telefoonoproep |
| Versleuteling van de meldingen | ja |
| Interne klok | ja |
| Gebruikers | 40 |
| Klemmen met dubbele functie [I/O] | 10; de functie IN of OUT kiest u bij het programmeren. Bij IN kunt u kiezen uit de types NC, NO, EOL, EOL_T, ATZ, ATZ_T. Bij OUT is de klem een open-collectoruitgang (OC), maximaal 100 mA |
| Aantal groepen | 8 |
| Aantal zones | 10 (met ATZ 20); met uitbreidingen uit te breiden tot 32 |
| Aantal PGM-uitgangen | 3 relaisuitgangen (1 A, 30 V DC); als u de I/O-klemmen als uitgang instelt, 13; met uitbreidingen uit te breiden tot 16 |
| Meldingsbuffer | 60 gebeurtenissen |
| Gebeurtenislogboek | maximaal 1000 gebeurtenissen; de oudste vermeldingen worden automatisch gewist |
| Instellen | op afstand met de software TrikdisConfig of ter plaatse met een USB Type-C-kabel |
| Lengte van de 1-Wire-databus [1 WIRE] | maximaal 30 m |
| Compatibele temperatuursensoren | Maxim® / Dallas® DS18S20, DS18B20; AM2301-serie |
| Aantal temperatuursensoren op de 1-Wire-databus | 8 (Dallas), of 1 als u een sensor uit de AM2301-serie gebruikt |
| RS485-bus | 2 |
| Lengte van de RS485-bus | maximaal 100 m |
| Ondersteunde modules | uitbreidingsmodule iO-8; iO-MO – iO-WL draadloze zendontvanger; uitbreidingsmodule iO-LORA; uitbreidingsmodule iO8-LORA; paniekknop PB-LORA; uitbreidingsmodule REL-LORA; brandmeldcentrale met het ESPA 4.4.4-protocol; brandmeldcentrales NSC Solution, INIM Smartline, C-TEC Cast ZFP en Polon-Alfa 3000 |
| Gebruiksomgeving | –10 … +50 °C, maximaal 80 % relatieve luchtvochtigheid bij +20 °C |
| Afmetingen | 235 × 205 × 92 mm |
| Gewicht | 1,35 kg |
De afstanden “tot … m” zijn theoretische maximumwaarden die onder ideale omstandigheden haalbaar zijn. In de praktijk zorgen de kwaliteit en het traject van de kabel, storingsbronnen en bij radioverbindingen muren en terrein voor een duidelijk kleiner bereik. Reken met marge en controleer bij lange afstanden de verbinding bij de inbedrijfstelling.
Trikdis FireCom Ethernet + 4G brandcommunicatiemodule
1.3 Onderdelen van de communicator
De cijfers in de afbeelding geven de onderdelen van de printplaat van de FireCom aan. De printplaat zit samen met de voedingseenheid in een metalen behuizing (hoofdstuk 3).

- 1 de indicatielampjes (LED's) voor verbinding en werking
- 2 drukknop – niet in gebruik
- 3 klemmenstrook van de reservevoeding
- 4 klemmenstrook van de hoofdvoeding
- 5 RESET-knop
- 6 externe klemmenstrook
- 7 de 1-Wire-klemmenstrook
- 8 LAN-aansluiting
- 9 klemmenstrook van de relaisuitgangen
- 10 simkaarthouders
- 11 aansluiting voor de antenne van het mobiele netwerk (GSM)
- 12 USB Type-C-aansluiting
1.4 De klemmen
De namen van de klemmen staan op de printplaat, naast de klemmenstroken.
| Klem | Functie |
|---|---|
| + (voedingsklem) | positieve klem van de voedingsspanning (15–32 V DC) |
| − (voedingsklem) | negatieve klem van de voedingsspanning (15–32 V DC) |
| BAT+ | positieve klem van de reservevoeding (12 V) |
| BAT− | negatieve klem van de reservevoeding (12 V) |
| AUX+ | positieve 12 V-voedingsklem voor externe apparaten |
| AUX− | gemeenschappelijke negatieve klem |
| A1, B1 (RS485) | RS485-bus voor het aansluiten van de iO-uitbreidingsapparaten |
| A2, B2 (RS485) | RS485-bus voor het aansluiten van de brandmeldcentrale |
| IO1–IO10 | in- en uitgangsklemmen (af fabriek ingang) |
| C | gemeenschappelijke negatieve klem |
| AUX+ | positieve 12 V-voedingsklem voor externe apparaten |
| FLOOP | klem voor het aansluiten van tweedraadse branddetectoren |
| +5V | positieve 5 V-voedingsklem van 0,2 A voor de 1-Wire-apparaten |
| 1W (1 WIRE) | klem van de 1-Wire-databus |
| C | gemeenschappelijke negatieve klem |
| NO1 / C1 / NC1 | klemmen van de 1e PGM-relaisuitgang |
| NO2 / C2 / NC2 | klemmen van de 2e PGM-relaisuitgang |
| NO3 / C3 / NC3 | klemmen van de 3e PGM-relaisuitgang |
1.5 Indicatielampjes
Op de printplaat zitten vijf indicatielampjes (SIM, ETH, DAT, STA, FPS), op de voorkant van de behuizing drie (POWER, DATA, TROUBLE). De tabel beschrijft de paren DAT / DATA, STA / TROUBLE en FPS / POWER samen; waar een signaal slechts op één van beide betrekking heeft, staat de naam ervan tussen haakjes.
| Indicatielampje | Licht | Betekenis |
|---|---|---|
| SIM | uit | niet verbonden met het mobiele netwerk |
| groen knipperend | de simkaart meldt zich aan op het mobiele netwerk | |
| groen, continu | de simkaart is aangemeld op het mobiele netwerk | |
| groen continu en geel knipperend | verbonden met het mobiele netwerk; op een 4G-netwerk is 3 keer geel knipperen al voldoende signaalsterkte | |
| ETH | groen knipperend | de LAN-kabel is niet aangesloten, of er is een DHCP-fout |
| groen, continu | verbonden met het lokale netwerk (LAN) | |
| DAT / DATA | uit | alle gebeurtenismeldingen zijn verzonden |
| groen, continu | er wordt een melding verzonden | |
| geel, continu (DAT) | er staan niet-verzonden gebeurtenismeldingen in de buffer | |
| STA / TROUBLE | groen, continu (STA) | tijdens het inschakelen: de communicator start op |
| groen knipperend (STA) | na het opstarten: er is geen storing in de werking | |
| uit (TROUBLE) | er is geen storing in de werking | |
| 1 keer rood knipperen | er is geen simkaart geplaatst | |
| 2 keer rood knipperen | de pincode van de simkaart is onjuist | |
| 3 keer rood knipperen | kan geen verbinding maken met het mobiele netwerk | |
| 4 keer rood knipperen | kan via het primaire kanaal geen verbinding maken met de IP-ontvanger | |
| 5 keer rood knipperen | kan via het reservekanaal geen verbinding maken met de IP-ontvanger | |
| 6 keer rood knipperen | er is geen DC-voedingsspanning | |
| 7 keer rood knipperen | storing van de AUX-uitgang (overstroom of overspanning) | |
| 8 keer rood knipperen | accustoring | |
| 9 keer rood knipperen | de LAN-kabel is niet aangesloten | |
| 10 keer rood knipperen | DHCP-fout op het lokale netwerk (LAN) | |
| FPS / POWER | uit | de voeding is niet aangesloten |
| groen, continu | er is geen probleem met de voeding | |
| 1 keer groen knipperen | er is geen netspanning (AC) | |
| 2 keer groen knipperen | de spanning van de reservevoeding is onvoldoende |
De juiste signalering na het inschakelen en de beoordeling van de signaalsterkte worden beschreven in paragraaf 3.14.
1.6 Benodigdheden voor de installatie
Controleer voordat u met de installatie begint of u alles bij de hand hebt:
- USB Type-C-kabel voor het instellen;
- kabel met minstens 4 aders om de communicator met de brandmeldcentrale te verbinden;
- platte schroevendraaier van 2,5 mm;
- externe antenne voor het mobiele netwerk, als de signaalsterkte ter plaatse zwak is;
- geactiveerde nano-simkaart (het vragen om de pincode kan worden uitgeschakeld);
- de handleiding van de brandmeldcentrale waarop u de communicator aansluit.
De genoemde accessoires moet u apart aanschaffen – bestel ze bij uw leverancier. Als de signaalsterkte ter plaatse zwak is, gebruik dan een bekabelde antenne die u op een gunstigere plek kunt plaatsen:
Trikdis ME301M magnetische GSM-antenne met 2,5m kabel
Trikdis ANT04 GSM zelfklevende antenne met 2,5m kabel
2. Voeding
2.1 Hoofdvoeding
De communicator moet worden gevoed uit een gelijkstroombron (DC). Voor een ononderbroken voeding moet op het systeem een reservevoeding worden aangesloten – een 12 V-accu. Als reservevoeding is een 12 V-loodaccu van 4 Ah of 7 Ah geschikt (paragraaf 1.2); over de keuze ervan gaat de opmerking in paragraaf 3.1.
12 V 7 Ah gelaccu voor alarmcentrale
2.2 Reservevoeding
Als er een probleem is met de hoofdvoeding, stuurt de communicator de gebeurtenismelding DC Fault (DC-storing) en schakelt hij automatisch over op de 12 V-reserveaccu. Als de accuspanning tot 11,5 V daalt, wordt de gebeurtenismelding Low Battery (lage accuspanning) aangemaakt. Als de spanning onder 9,5 V zakt, wordt de accu afgekoppeld. Wanneer de DC-voedingsspanning terugkeert, wordt de melding DC Restore (DC hersteld) aangemaakt en begint het opladen van de accu automatisch. Wanneer de accuspanning 12,6 V bereikt, wordt de gebeurtenismelding Battery Restore (accu hersteld) aangemaakt.
2.3 Inhoud van de verpakking
| Omschrijving | Aantal |
|---|---|
| FireCom-communicatorprintplaat met antenne, ingebouwd in een metalen behuizing | 1 st. |
| Metalen behuizing met een Mean Well-schakelende voedingseenheid | 1 st. |
| Weerstand van 10 kΩ | 20 st. |
| Draad voor het aansluiten van de accu | 1 st. |
| Sabotagecontact (tamper) | 1 st. |
| Klemmenblok met zekering van 3,15 A | 1 st. |
| Bevestigingsmateriaal (4 schroeven, 4 nylon pluggen) | 1 set |
De USB-kabel (Type-C) die nodig is voor het programmeren van de communicator moet apart worden aangeschaft.
3. Installatie en aansluiting
Waarschuwing!
Het is verboden om bekabeling uit te voeren op een apparaat dat onder spanning staat. Verwijder vóór het begin van de werkzaamheden de voeding (inclusief back-upbatterijen).De printplaat van de communicator wordt in een montagekast geplaatst, waarin de DC-voedingseenheid met de zekering van 3,15 A al is ingebouwd en waarin ook plaats is voor de reserveaccu. Dit hoofdstuk beschrijft de volgorde van het aansluiten, het aansluiten van de detectoren, de rookmelders en de brandmeldcentrales (de uitgangen van de centrale, en op de RS485 2-bus de centrales met het ESPA 4.4.4-protocol, de NSC Solution, de INIM Smartline, de C-TEC Cast ZFP en de Polon-Alfa 3000), de temperatuursensoren, het relais en de LED-signaalgever, de ingangen van de centrale, de iO-uitbreidingsmodules en tot slot het inschakelen van de communicator.
Afmetingen van de FireCom-printplaat
De afbeelding toont de afmetingen van de printplaat en van de bevestigingsgaten (in millimeter), en de plaats van de gaten.

3.1 Volgorde van het aansluiten
De cijfers in de afbeelding zijn de volgnummers van de onderstaande stappen.

- Als u een simkaart gebruikt, plaats dan de geactiveerde simkaart in de simkaarthouder.
- Als u het lokale netwerk (LAN) gebruikt, sluit dan de LAN-kabel aan.
- Sluit de branddetectoren, de signaalgevers en de aangestuurde apparaten aan volgens de gegeven aansluitschema's en het eigen aansluitschema van elk aan te sluiten apparaat.
- Sluit de netvoedingsdraden (AC) aan op de klemmen.
- Plaats de reserveaccu in de montagekast. Sluit de polen van de accu aan op de klemmen BAT+ / BAT− van de communicator.
Volgens de eisen van de norm EN 54 moet de accu binnen 24 uur tot 80 % van zijn capaciteit worden opgeladen, en de rest moet hij in de daaropvolgende 48 uur bereiken – kies een accu die hieraan voldoet.
Wat moet het netwerk kunnen? De communicatiemodule zet zelf de uitgaande verbinding op naar de meldkamerontvanger en de Protegus-cloud. Daarom hoeft u op de router geen poort te openen of door te sturen, en is er ook geen vast openbaar IP-adres of dynamische DNS nodig. Wat wel nodig is:
- een vrije Ethernet-poort op de router of switch;
- DHCP (fabrieksinstelling), of een vast IP-adres, subnetmasker, gateway en DNS die u van de netwerkbeheerder krijgt;
- toestemming voor uitgaand verkeer naar het adres en de poort van de ontvanger (TCP of UDP, afhankelijk van de instelling van de ontvanger), en naar de Protegus-cloud.
Stem dit bij een gefilterd netwerk – van een bedrijf of instelling – vooraf af met de netwerkbeheerder: op thuisrouters zijn standaard alle uitgaande verbindingen toegestaan, maar op een netwerk dat door een firewall wordt beschermd kan een aparte regel nodig zijn.
3.2 Detectoren aansluiten
Op de printplaat van de communicator dienen 10 klemmen (IO1–IO10, ingangen) voor het aansluiten van de detectorkringen. Het aantal ingangen kan met ingangsuitbreidingen (iO-8, iO-MO, iO-LORA, iO8-LORA) tot 32 worden verhoogd. Elke klem kan als ingang worden ingesteld en zone-eigenschappen krijgen: het type kring (NO, NC, EOL, EOL_T, ATZ, ATZ_T) en de gevoeligheid voor kortstondige gebeurtenissen in de kring (paragraaf 6.6, pagina Zones).
Hieronder volgen de aansluitschema's van de detectoren. De selecteerbare waarden van de weerstanden (RT – sabotage, R1 – 1e detector, R2 – 2e detector):
| RT | R1 | R2 |
|---|---|---|
| 2,2 kΩ | 2,2 kΩ | 4,7 kΩ |
| 1 kΩ | 1 kΩ | 2,2 kΩ |
| 5,6 kΩ | 5,6 kΩ | 3,3 kΩ |
| 5,6 kΩ | 3,3 kΩ | 5,6 kΩ |
| 3,3 kΩ | 6,8 kΩ | 3,3 kΩ |
| 2,2 kΩ | 4,7 kΩ | 8,2 kΩ |
| 10 kΩ | 10 kΩ | 5,6 kΩ |
De gebruikte waarden geeft u op in het veld EOL Type van de pagina System Options (paragraaf 6.2).





- T sabotagecontact („Tamper”), meldt het openen van de behuizing van de detector

- 1 kring van de 1e detector („Detector terminal 1”)
- 2 kring van de 2e detector („Detector terminal 2”)

- T sabotagecontact („Tamper”), meldt het openen van de behuizing van de detector
- 1 kring van de 1e detector („Detector terminal 1”)
- 2 kring van de 2e detector („Detector terminal 2”)
3.3 Rookmelders aansluiten
Tweedraadse rookmelders op de klem FLOOP
Als u deze aansluiting gebruikt, moet u op de pagina Zones als ingang (Input) van de zone de ingang FC Fire sensor (FLOOP input) kiezen (paragraaf 6.6). De alarmstroom van de branddetector moet groter zijn dan 10 mA. Op de klem FLOOP kunnen maximaal 8 branddetectoren worden aangesloten.

- EOL eindweerstand van 2,2 kΩ („End of line resistor”)
Tweedraadse rookmelders met de relaismodule SM1
Als u de rookmelderkring op een gekozen ingang aansluit, moet de ingang (IOx) worden ingeschakeld en moet het type kring worden ingesteld (NO, NC, EOL, EOL_T, ATZ, ATZ_T; paragraaf 6.6, pagina Zones). Als u de voedingskring van de rookmelders op de PGM-uitgang (IO10) aansluit, moet aan de uitgang de functie Fire Sensor Reset worden toegewezen (paragraaf 6.7, pagina PGM).
Het relais K1 dient voor het detecteren van kabelbreuk en van het verwijderen van een branddetector. Als u geen relais (K1) gebruikt, moet het contact K1 worden kortgesloten.

- R relais K1 („Relay”) – de functie ervan staat in de opmerking hierboven
- EOL de eindweerstand R1 („End of line resistor”)
Of:

- R relais K1 („Relay”) – de functie ervan staat in de opmerking hierboven
- EOL de eindweerstand R1 („End of line resistor”)
Vierdraadse rookmelders
Als u de rookmelderkring op een gekozen ingang aansluit, moet de ingang (IOx) worden ingeschakeld en moet het type kring worden ingesteld (NO, NC, EOL, EOL_T, ATZ, ATZ_T; paragraaf 6.6, pagina Zones). Als u de voedingskring van de vierdraadse rookmelders op de PGM-uitgang (IO10) aansluit, moet aan de uitgang de functie Fire Sensor Reset worden toegewezen (paragraaf 6.7, pagina PGM).
Ook hier dient het relais K1 voor het detecteren van kabelbreuk en van het verwijderen van een branddetector. Als u geen relais (K1) gebruikt, moet het contact K1 worden kortgesloten.

- R relais K1 („Relay”) – de functie ervan staat in de opmerking hierboven
- EOL de eindweerstand R1 („End of line resistor”)
3.4 Aansluiting op de uitgangen van de brandmeldcentrale
Als u de toestand van de brandmeldcentrale wilt bewaken, sluit dan de betreffende uitgangen van de centrale aan op de ingangen van de FireCom. De uitgangen van de centrale (PGM1, PGM2, PGM3) moeten in de centrale als statusuitgang (alarm, storing enz.) worden ingesteld. De tekening is er in twee varianten: als de FireCom zijn voeding krijgt van de 24 V van de centrale (zonder ingebouwde voedingseenheid), en als hij werkt op zijn eigen, ingebouwde voedingseenheid.


3.5 Brandmeldcentrale met het ESPA 4.4.4-protocol
Sluit de brandmeldcentrale met het ESPA 4.4.4-protocol via de RS485 2-bus (A2, B2) aan op de FireCom, volgens de onderstaande tekeningen.


Instellen van de FireCom in TrikdisConfig bij aansluiting op een brandmeldcentrale met het ESPA 4.4.4-protocol:
- Kies in de groep RS485 2 interface van de pagina Modules het protocol ESPA 4.4.4.
- Kies het type verbinding (Connection).
- De instellingen voor de gegevensoverdracht van de FireCom en van de brandmeldcentrale moeten gelijk zijn.

- 1 Interface type – keuze van ESPA 4.4.4
- 2 Connection – het type verbinding (op de afbeelding RS485)
- 3 instellingen voor de gegevensoverdracht (op de afbeelding Baudrate 9600, 8 databits, pariteit None, 1 stopbit, Delay 0 ms)
- Voer op de pagina Users & Reporting het telefoonnummer en het e-mailadres in van de gebruikers die meldingen van de FireCom ontvangen (paragraaf 6.4).
- Als u wilt dat de gebruiker een bericht (of een oproep) over de gebeurtenissen krijgt, vink dan op het tabblad SMS & Call reporting van de pagina System events het vakje SMS (of Call) aan.

- 5 de vakjes SMS en Call
- Als de meldingen ook de ontvanger van de meldkamer moeten bereiken, stel dan het communicatiekanaal in op de pagina Reporting to CMS (paragraaf 4.2 en 6.3). De gebeurtenismeldingen gaan met het protocol SIA DC-09.
Test het systeem: activeer een brandalarm en controleer of de meldingen van de FireCom aankomen bij de meldkamer en in Protegus 2.
3.6 Brandmeldcentrale NSC Solution
Sluit de brandmeldcentrale NSC Solution via de RS485 2-bus aan op de FireCom, volgens de onderstaande tekeningen.


Instellen van de FireCom in TrikdisConfig bij aansluiting op een brandmeldcentrale NSC Solution:
- Kies in de groep RS485 2 interface van de pagina Modules de centrale NSC solution.
- Het NSC slave address (het slave-adres van de communicator) mag niet gelijk zijn aan het adres van de modules die op de brandmeldcentrale zijn aangesloten.

- 1 Interface type – keuze van NSC solution
- 2 NSC slave address – op de afbeelding 10
- Voer op de pagina Users & Reporting het telefoonnummer en het e-mailadres in van de gebruikers die meldingen van de FireCom ontvangen (paragraaf 6.4).
- De gebruikers krijgen een sms en een oproep over de aangevinkte gebeurtenissen (pagina Users & Reporting, tabblad SMS for Panel events). In de kolom CID kunt u extra Contact ID-gebeurteniscodes toevoegen; bij de nieuwe codes moet u ook de tekst van de sms invullen. Als u wilt dat de gebruiker een bericht (of een oproep) over de gebeurtenissen krijgt, vink dan het vakje SMS (of Call) aan.

- 4 de kolommen SMS en Call van gebruiker 1
- Als de meldingen ook de ontvanger van de meldkamer moeten bereiken, stel dan het communicatiekanaal in op de pagina Reporting to CMS (paragraaf 4.2 en 6.3).
Schakel na het instellen van de FireCom de voeding van de brandmeldcentrale in en wacht tot de software van de centrale is geladen. Daarna moeten op de centrale de op de RS485-bus aangesloten modules worden opgezocht (gescand). Druk op de centrale op: PROG. > INSTALLER > (voer de installateurscode in) 00000 OK > (kies) SETTINGS > ENTER > (kies) SCAN RS485 > ENTER. Wacht tot het zoeken klaar is en keer dan terug naar het hoofdscherm door twee keer op de knop CANCEL te drukken.
Test het systeem: activeer een brandalarm en controleer of de meldingen van de FireCom aankomen bij de meldkamer en in Protegus 2.
3.7 Brandmeldcentrale INIM Smartline
Sluit de brandmeldcentrale INIM Smartline via de RS485 2-bus aan op de FireCom, volgens de onderstaande tekeningen.


Als u de INIM Smartline-centrale via de RS485-bus op de FireCom aansluit, moet de centrale in de slave-modus (ondergeschikte modus) worden gezet – dat doet u in het programma SmartLeague van de centrale.

- Als er op de INIM Smartline-centrale repeaters (nevenpanelen) zijn aangesloten, kan de FireCom niet via de RS485-bus worden aangesloten.
- Als de FireCom via de RS485-bus op de INIM Smartline-centrale is aangesloten, worden de iO-uitbreidingsmodules niet ondersteund.
Instellen van de FireCom in TrikdisConfig bij aansluiting op een brandmeldcentrale INIM Smartline:
- Kies in de groep RS485 2 interface van de pagina Modules de centrale INIM smartline.

- 1 Interface type – keuze van INIM smartline
- Voer op de pagina Users & Reporting het telefoonnummer en het e-mailadres in van de gebruikers die meldingen van de FireCom ontvangen (paragraaf 6.4).
- De gebruikers krijgen een sms en een oproep over de aangevinkte gebeurtenissen (pagina Users & Reporting, tabblad SMS for Panel events; de afbeelding van het tabblad staat in paragraaf 3.6). In de kolom CID kunt u extra Contact ID-gebeurteniscodes toevoegen; bij de nieuwe codes moet u ook de tekst van de sms invullen. Als u wilt dat de gebruiker een bericht (of een oproep) over de gebeurtenissen krijgt, vink dan het vakje SMS (of Call) aan.
- Als de meldingen ook de ontvanger van de meldkamer moeten bereiken, stel dan het communicatiekanaal in op de pagina Reporting to CMS (paragraaf 4.2 en 6.3).
Test het systeem: activeer een brandalarm en controleer of de meldingen van de FireCom aankomen bij de meldkamer en in Protegus 2.
3.8 Brandmeldcentrale C-TEC Cast ZFP
Sluit de brandmeldcentrale C-TEC Cast ZFP via de RS485 2-bus aan op de FireCom, volgens de onderstaande tekeningen.


Instellen van de FireCom in TrikdisConfig bij aansluiting op een brandmeldcentrale C-TEC Cast ZFP:
- Kies in de groep RS485 2 interface van de pagina Modules de centrale C-TEC Cast ZFP.

- 1 Interface type – keuze van C-TEC Cast ZFP
- Voer op de pagina Users & Reporting het telefoonnummer en het e-mailadres in van de gebruikers die meldingen van de FireCom ontvangen (paragraaf 6.4).
- De gebruikers krijgen een sms en een oproep over de aangevinkte gebeurtenissen (pagina Users & Reporting, tabblad SMS for Panel events; de afbeelding van het tabblad staat in paragraaf 3.6). In de kolom CID kunt u extra Contact ID-gebeurteniscodes toevoegen; bij de nieuwe codes moet u ook de tekst van de sms invullen. Als u wilt dat de gebruiker een bericht (of een oproep) over de gebeurtenissen krijgt, vink dan het vakje SMS (of Call) aan.
- Als de meldingen ook de ontvanger van de meldkamer moeten bereiken, stel dan het communicatiekanaal in op de pagina Reporting to CMS (paragraaf 4.2 en 6.3).
De centrale instellen met het programma ZFPtools
Installeer het programma ZFPtools op de computer en start het. Schakel de voeding van de brandmeldcentrale in en wacht tot de software van de centrale is geladen. Verbind de centrale met de computer via een USB 2.0 A-B-kabel. De markeringsnummers in de afbeeldingen zijn de volgnummers van de stappen.
- Open het tabblad Node View.

- 1 Node View
- Download de instellingen van de centrale naar de computer.

- 2 Retrieve All Data – de instellingen van de centrale downloaden
- Voer de code in (af fabriek 4444).
- Klik op de knop OK.

- 3 de velden van de code
- 4 OK (groen vinkje)
- Kies het element BMS Interface.
- Klik op een vrij pictogram.

- 5 BMS Interface in de lijst Device Palette
- 6 vrije plaats in het deel Devices (op de afbeelding nummer 16)
- Klik op de knop Edit Devices.

- 7 Edit Devices
- Voer op het tabblad Device de naam van het systeem in.

- 8 Name – de naam van het systeem (op de afbeelding FIRECOM)
- Voer op het tabblad Properties de naam van het systeem in.
- Geef de bus ABUS RS485 op waarop de FireCom is aangesloten.
- Stel de meldingen in.
- Schrijf de instellingen naar de centrale.

- 9 Name – de naam van het systeem (FIRECOM)
- 10 Connection – ABUS RS485
- 11 de meldingen: Zone Disablements – Reports Zone; Input Group Disablements, Output Group Disablements, Group Actions – Reports Group
- 12 Send All Data – de instellingen naar de centrale schrijven
- Voer de code in (af fabriek 4444).
- Klik op de knop OK (het venster Panel Log In is hetzelfde als bij stap 3–4).
De centrale is geprogrammeerd. Trek de USB 2.0 A-B-kabel uit de centrale.
Test het systeem: activeer een brandalarm en controleer of de meldingen van de FireCom aankomen bij de meldkamer en in Protegus 2.
3.9 Brandmeldcentrale Polon-Alfa 3000
Aansluiting via de RS485-bus
De FireCom wordt via de RS485-bus op de Polon-Alfa 3000-centrale aangesloten.

Instellen van de FireCom in TrikdisConfig:
- Kies in de groep RS485 2 interface van de pagina Modules de centrale Polon-Alfa 3000.
- Kies als verbindingstype (Connection) RS485.

- 1 Interface type – keuze van Polon-Alfa 3000
- 2 Connection – RS485
- Voer op de pagina Users & Reporting het telefoonnummer en het e-mailadres in van de gebruikers die meldingen van de FireCom ontvangen (paragraaf 6.4).
- Als u wilt dat de gebruiker een bericht (of een oproep) over de gebeurtenissen krijgt, vink dan het vakje SMS (of Call) aan (pagina System events, tabblad SMS & Call reporting, paragraaf 6.9).
- Als de meldingen ook de ontvanger van de meldkamer moeten bereiken, stel dan het communicatiekanaal in op de pagina Reporting to CMS (paragraaf 4.2 en 6.3).
De Polon-Alfa 3000-centrale met de module MK-30 moet in het programma POLON Studio zo worden ingesteld dat ze met het protocol Modbus RTU (RS485) werkt.

Test het systeem: activeer een brandalarm en controleer of de meldingen van de FireCom aankomen bij de meldkamer en in Protegus 2.
Aansluiting via het lokale netwerk (LAN)
De FireCom en de Polon-Alfa 3000-centrale zijn op hetzelfde lokale netwerk (LAN) aangesloten.

- 1 LAN-kabel („LAN cable”)
Instellen van de FireCom in TrikdisConfig:
- Kies in de groep RS485 2 interface van de pagina Modules de centrale Polon-Alfa 3000.
- Kies als verbindingstype (Connection) TCP.
- Voer het IP-adres van de Polon-Alfa 3000-centrale in (IP address).

- 1 Interface type – keuze van Polon-Alfa 3000
- 2 Connection – TCP
- 3 IP address – het IP-adres van de centrale (op de afbeelding 192.168.1.2)
- Vink op het tabblad Settings van de pagina Reporting to CMS, in de groep LAN network parameters, het vakje DHCP aan (automatische registratiemodus): zo leest de FireCom de netwerkinstellingen (subnetmasker, gateway) automatisch in en krijgt hij een IP-adres (paragraaf 6.3).
- Voer op de pagina Users & Reporting het telefoonnummer en het e-mailadres in van de gebruikers die meldingen van de FireCom ontvangen (paragraaf 6.4).
- Als u wilt dat de gebruiker een bericht (of een oproep) over de gebeurtenissen krijgt, vink dan het vakje SMS (of Call) aan (pagina System events, tabblad SMS & Call reporting, paragraaf 6.9).
- Als de meldingen ook de ontvanger van de meldkamer moeten bereiken, stel dan het communicatiekanaal in op de pagina Reporting to CMS (paragraaf 4.2 en 6.3).
De Polon-Alfa 3000-centrale met de module MK-30 moet in het programma POLON Studio zo worden ingesteld dat ze op het lokale netwerk (LAN) werkt. Geef de IP-adressen van het LAN op volgens de instellingen van uw eigen netwerk.

Test het systeem: activeer een brandalarm en controleer of de meldingen van de FireCom aankomen bij de meldkamer en in Protegus 2.
3.10 Temperatuursensor aansluiten
Sluit de temperatuursensoren aan volgens de tekeningen.

- rode draad („Red wire”)
- gele draad („Yellow wire”)
- zwarte draad („Black wire”)

- rode draad („Red wire”)
- gele draad („Yellow wire”)
- zwarte draad („Black wire”)
Op de FireCom kunnen maximaal 8 temperatuursensoren Maxim® / Dallas® DS18S20 of DS18B20, of maximaal 1 vochtigheids- en temperatuursensor AM2301 worden aangesloten. Als u de sensor met een draad van meer dan 0,5 m aansluit, raden we een kabel met getwiste aderparen aan (UTP 4×2×0,5 of STP 4×2×0,5). De klem +5V van de printplaat dient voor de 5 V DC-voeding van de apparaten die op de 1-Wire-databus zijn aangesloten; de maximale uitgangsstroom is 0,2 A. De uitgang is beveiligd tegen overbelasting: als de stroom de maximaal toegestane waarde overschrijdt, wordt de voeding automatisch uitgeschakeld. De communicator herkent de aangesloten apparaten automatisch en wijst ze toe (de AM2301 moet op de pagina Sensors handmatig worden toegewezen, paragraaf 6.8).
DS18B20 temperatuursensor met 1m kabel
3.11 Relais en LED-signaalgever aansluiten
Met de contacten van het relais kunt u allerlei elektrische apparaten op afstand schakelen (aan/uit). De universele I/O-klem van de communicator moet als uitgang (OUT) worden ingesteld en de definitie Remote control moet eraan worden toegewezen (pagina PGM, Output definition, paragraaf 6.7).

- R relais („Relay”)

3.12 Aansluiten van de ingangen van de brandmeldcentrale
Volgens de norm EN 54 moet de brandmeldcentrale van de communicator te horen krijgen dat er een storing is in de verbinding met de meldkamer, en ook dat de meldkamer de meldingen met succes heeft ontvangen. Daarvoor moeten de PGM-uitgangen van de communicator (bijvoorbeeld de uitgangen Relay1 en Relay2) worden aangesloten op de daarvoor bestemde ingangen van de brandmeldcentrale. De PGM-uitgang Relay1 moet worden ingesteld op CMS fail (storing van de verbinding met de meldkamer), Relay2 op ACK received (bevestiging ontvangen) (pagina PGM, paragraaf 6.7). De uitgang Relay1 schakelt in als het communicatiekanaal met de meldkamer wegvalt; de uitgang Relay2 schakelt 5 seconden in als de melding de meldkamer met succes heeft bereikt.

- R relaisuitgang van de communicator („Relay”): boven Relay1, onder Relay2
3.13 Uitbreidingsmodules van de iO-serie aansluiten
Als de FireCom meer ingangen (IN) of uitgangen (OUT) nodig heeft, sluit er dan een bekabelde of draadloze in- en uitgangsuitbreiding van de Trikdis iO-serie op aan. Het instellen van de uitbreidingsmodules in de FireCom wordt beschreven in paragraaf 6.5 (pagina Modules).


Trikdis iO8 bekabelde uitbreidingsmodule
Aansluiting van de LORA-modules: de zendontvanger RF-LORA komt op de RS485-bus en houdt draadloos, tot op maximaal 5000 m, de verbinding met de uitbreidingen iO-LORA, iO8-LORA en REL-LORA en met de paniekknop PB-LORA.

- W draadloze verbinding („Wireless connection”), maximaal 5000 m („up to 5000 m”)
De afstanden “tot … m” zijn theoretische maximumwaarden die onder ideale omstandigheden haalbaar zijn. In de praktijk zorgen de kwaliteit en het traject van de kabel, storingsbronnen en bij radioverbindingen muren en terrein voor een duidelijk kleiner bereik. Reken met marge en controleer bij lange afstanden de verbinding bij de inbedrijfstelling.
Trikdis RF-LORA draadloze uitbreidingsmodule
Trikdis IO-LORA draadloze uitbreidingsmodule
Trikdis IO8-LORA draadloze uitbreidingsmodule
Trikdis PB-LORA draadloze paniekknop
3.14 De communicator inschakelen
Schakel de voeding in om de communicator in te schakelen. De indicatielampjes moeten als volgt werken:
- het indicatielampje STA brandt tijdens het inschakelen continu groen en knippert na het opstarten groen – de voedingsspanning is in orde;
- het indicatielampje SIM brandt continu groen en knippert af en toe minstens 3 keer geel – de groene kleur geeft aan dat de simkaart zich met succes op het mobiele netwerk heeft aangemeld, het aantal gele knipperingen toont de signaalsterkte van het mobiele netwerk. Het indicatielampje ETH brandt groen als de communicator met het lokale netwerk (LAN) is verbonden.
- Op een 4G-netwerk is signaalsterkte 3 voldoende (3 keer geel knipperen van het indicatielampje SIM).
- Als het indicatielampje SIM minder vaak geel knippert, is de signaalsterkte van het mobiele netwerk onvoldoende. Kies een andere plaats voor de communicator, verplaats de antenne of gebruik een gevoeligere mobiele antenne (paragraaf 1.6).
- Als de indicatielampjes anders branden, zoek de oorzaak dan op aan de hand van paragraaf 1.5 (indicatielampjes).
- Als geen enkel indicatielampje van de FireCom brandt, controleer dan de voeding en de aansluiting.
4. Snel instellen met de software TrikdisConfig
Dit hoofdstuk beschrijft de instellingen waarmee de FireCom de gebeurtenissen naar de Protegus 2-app (paragraaf 4.1) of naar de meldkamer (paragraaf 4.2) stuurt. De overige instellingen van de FireCom staan in hoofdstuk 6.
Alle Trikdis-apparaten kunnen met één gemeenschappelijk programma worden geprogrammeerd. Dit programma heet TrikdisConfig en kan worden gedownload van de website van de fabrikant.
Installeer het programma na het downloaden. Als bij het starten van TrikdisConfig een nieuwe versie beschikbaar is, download en installeer dan de aanbevolen update.
- Download het programma TrikdisConfig (met de knop hierboven, of typ op de website www.trikdis.com in het zoekveld: „TrikdisConfig”) en installeer het.
- Verbind de FireCom met de computer via een USB Type-C-kabel.
- Start TrikdisConfig. Het programma herkent het aangesloten apparaat automatisch en opent het programmeervenster van de FireCom.
- Klik op de knop Read [F4]: het programma leest de huidige instellingen van de FireCom uit en toont ze. Als het programma om de beheerders- of installateurscode vraagt, voer dan de 6-cijferige code in.
- In die tijd stopt de normale werking van het apparaat,
- het krijgt zijn voeding via de USB-kabel,
- na het loskoppelen start het opnieuw op (als het onder spanning staat).
4.1 Instellen voor de Protegus 2-app
In de groep SIM van de pagina System Options:

- 1 SIM card PIN – de pincode van de simkaart
- 2 APN – het toegangspunt voor mobiel internet
- Voer de pincode van de simkaart in (SIM card PIN).
- Pas zo nodig het veld APN aan. De APN vindt u op de website van de mobiele provider; „internet” is algemeen en werkt in de netwerken van de meeste providers. De gegevens van Nederlandse en andere Europese providers: APN-instelling – lijst van Europese mobiele providers.
In de groep Cloud application van de pagina Users & Reporting:

- 3 Enable cloud service – de Protegus-cloud inschakelen
- 4 Cloud Access Code – de toegangscode van de cloud (af fabriek
123456)
- Vink het vakje Enable cloud service aan.
- Als u wilt dat gebruikers de code moeten invoeren wanneer ze het systeem aan Protegus 2 toevoegen, wijzig dan de waarde van Cloud Access Code (af fabriek
123456).
Op het tabblad Settings van de pagina Reporting to CMS:

- 5 DHCP – automatische netwerkinstelling
- 6 Protegus reporting mode – de volgorde van de verbindingstypes richting Protegus 2 (op de afbeelding Main type: Ethernet (LAN), Backup type: SIM, Backup type 2: Disabled)
- Als er een LAN-kabel op de communicator is aangesloten, vink dan het vakje DHCP aan (automatische registratiemodus): zo leest de FireCom de netwerkinstellingen (subnetmasker, gateway) automatisch in en krijgt hij een IP-adres.
- Hier stelt u in hoe de communicator de meldingen naar Protegus 2 stuurt. De verbindingstypes volgen elkaar op in volgorde: als de verbinding met het primaire verbindingstype niet lukt, schakelt de communicator over naar het volgende, enzovoort. Als de melding via het reserveverbindingstype Protegus 2 heeft bereikt, probeert de communicator het na de ingestelde tijd opnieuw met het primaire verbindingstype (Return to Primary).
- Vink op het tabblad Zones settings van de pagina Zones het vakje Prot. aan bij de zones over waarvan de statuswijziging de gebruikers een melding in Protegus 2 moeten krijgen (paragraaf 6.6).
- Vink op het tabblad Outputs van de pagina PGM het vakje Prot. aan bij de PGM-uitgangen over waarvan de statuswijziging de gebruikers een melding in Protegus 2 moeten krijgen (paragraaf 6.7).
- Vink op het tabblad Events van de pagina System events het vakje Prot. aan bij de interne gebeurtenissen van de communicator over waarvan de statuswijziging de gebruikers een melding in Protegus 2 moeten krijgen (paragraaf 6.9).
Klik aan het einde van de instellingen op de knop Write [F5] en trek de USB-kabel los. Het systeem toevoegen aan de Protegus 2-app: paragraaf 5.1.
Over de overige TrikdisConfig-instellingen van de FireCom gaat hoofdstuk 6.
4.2 Instellen voor de meldkamer
Op het tabblad System general van de pagina System Options:

- 1 Object ID – objectnummer (op de afbeelding 0001)
- 2 SIM card PIN – de pincode van de simkaart
- 3 APN – het toegangspunt voor mobiel internet
- Voer het objectnummer in dat u van de meldkamer hebt gekregen (Object ID, klantnummer): 4 tekens, 0–9 en A–F. Gebruik de nummers FFFE en FFFF niet.
- Voer de pincode van de simkaart in (SIM card PIN).
- Pas zo nodig het veld APN aan. De APN vindt u op de website van de mobiele provider; „internet” is algemeen en werkt in de netwerken van de meeste providers.
Op het tabblad Settings van de pagina Reporting to CMS:

- 4 DHCP – automatische netwerkinstelling
- 5 CMS reporting mode – de volgorde van de verbindingstypes richting de meldkamer (op de afbeelding Main type: Ethernet (LAN), Backup type: SIM, Backup type 2: Disabled)
- Als er een LAN-kabel op de communicator is aangesloten, vink dan het vakje DHCP aan (automatische registratiemodus): zo leest de FireCom de netwerkinstellingen (subnetmasker, gateway) automatisch in en krijgt hij een IP-adres.
- Hier stelt u in hoe de communicator de meldingen naar de meldkamer stuurt. De verbindingstypes volgen elkaar op in volgorde: als de verbinding met het primaire verbindingstype niet lukt, schakelt de communicator over naar het volgende, enzovoort. Als de melding via het reserveverbindingstype de meldkamer heeft bereikt, probeert de communicator het na de ingestelde tijd opnieuw met het primaire verbindingstype (Return to Primary).
Op het tabblad Reporting van de pagina Reporting to CMS:

- 6 Communication type – het type verbinding
- 7 Domain or IP – het adres van de ontvanger
- 8 Port – de poort van de ontvanger
- 9 Protocol – transmissieprotocol
- 10 Encryption Key – versleutelingssleutel (op de afbeelding 123456)
- 11 Backup channel – het reservekanaal
- 12 Parallel channel – het parallelle kanaal (op de afbeelding TCP/IP)
- Communication type – kies het type verbinding (TCP of UDP).
- Domain or IP – voer de domeinnaam of het IP-adres van de ontvanger in.
- Port – voer de netwerkpoort van de ontvanger in.
- Protocol – kies met welk protocol het apparaat de meldingen verstuurt: TRK (voor Trikdis-ontvangers), DC-09_2007 of DC-09_2012 (voor universele ontvangers), TL150 (voor Sur-Gard-ontvangers).
- Encryption Key – voer de versleutelingssleutel van de ontvanger in.
Als u DC-09 als transmissieprotocol kiest, geef dan in de groep Settings van de pagina Reporting to CMS ook het object-, het lijn- en het ontvangernummer op (paragraaf 6.3).
- (Aanbevolen) Stel het reservekanaal in (Backup channel).
- Als de meldingen ook naar een tweede ontvanger van de meldkamer moeten worden gestuurd, stel dan het parallelle kanaal in (Parallel channel).
Klik aan het einde van de instellingen op de knop Write [F5] en trek de USB-kabel los.
Over de overige TrikdisConfig-instellingen van de FireCom gaat hoofdstuk 6.
5. Bediening op afstand
De FireCom kan worden bediend vanuit de Protegus 2-app, met een sms-commando en met een telefoonoproep (tijdens het gesprek met het toetsenbord van de telefoon). In de app zien de gebruikers ook de status van het systeem en krijgen ze meldingen over de systeemgebeurtenissen; per sms kan de beheerder ook een deel van de instellingen wijzigen.
5.1 De FireCom toevoegen aan Protegus 2
In Protegus 2 zien de gebruikers de status van het systeem en krijgen ze meldingen over de systeemgebeurtenissen. De app is beschikbaar voor de telefoon en voor de browser (de downloadlinks staan hieronder, bij het aanmaken van het systeem).
Voordat u het systeem toevoegt
U kunt de FireCom aan Protegus 2 toevoegen als:
- er een geactiveerde simkaart in zit en u de pincode hebt ingevoerd of uitgeschakeld;
- de Protegus-dienst is ingeschakeld (Users & Reporting → Enable cloud service, paragraaf 4.1 en 6.4; per sms:
CONNECT 123456 PROTEGUS=ON, paragraaf 5.2); - de voeding is ingeschakeld (het indicatielampje STA knippert groen);
- hij met het netwerk is verbonden (het indicatielampje SIM brandt continu groen en knippert geel, en/of bij een LAN-verbinding brandt het indicatielampje ETH groen).
Het systeem aanmaken in de Protegus 2-applicatie
- Download de Protegus 2-applicatie op uw telefoon of open deze in een browser
- Registreer een account als u dat nog niet hebt gedaan.
- Log in op uw account.
- Klik op de hoofdpagina op de "+"-knop om een systeem aan te maken
- Voer de unieke identificatiecode van het TRIKDIS-apparaat in (u kunt ook de streepjescode of QR-code scannen met de camera van uw telefoon). U vindt deze
- Op de sticker van het apparaat
- Op de kartonnen doos van het apparaat
- Linksonder in TrikdisConfig (selecteerbaar en kopieerbaar)
- Voer de systeemnaam in en kies een tijdzone
- Uw systeem is aangemaakt. In de volgende stap kunt u de secties en zones nog een naam geven, maar dat kan ook later op elk moment.
- In de laatste stap verschijnt het startscherm van uw systeem. Wacht tot de gele balk verdwijnt en uw systeem gereed is.
Let bij de FireCom bij het toevoegen op het volgende:
- Voer na Systeem aanmaken (Add new system) de unieke identificatie van de FireCom in (Unique ID) en klik op de knop Next. De identificatie vindt u op de sticker op het apparaat en op de doos; bij een USB-verbinding ziet u ze ook in de statusbalk van TrikdisConfig (paragraaf 6.1).
- Als de installateur de fabriekswaarde
123456van de Cloud Access Code heeft gewijzigd, vraagt de app bij het toevoegen om de code (paragraaf 4.1).
5.2 Instellen en bedienen met een sms-bericht
1. Wijzig het beheerderswachtwoord. Vervang voor de veiligheid het sms-beheerderswachtwoord uit de fabriek. Stuur een sms in deze vorm:
PSW 123456 xxxxxx
| Deel | Betekenis |
|---|---|
123456 |
het beheerderswachtwoord uit de fabriek |
xxxxxx |
het nieuwe beheerderswachtwoord van 6 tekens |
2. Sta andere gebruikers toe het systeem te bedienen. Met een sms en een telefoonoproep kan het systeem alleen worden bediend vanaf de telefoonnummers op de gebruikerslijst. Stuur vanaf de telefoon van de beheerder een sms met het telefoonnummer en de naam van de andere personen, zodat ook zij het systeem kunnen bedienen:
SETN xxxxxx PHONEx=+PHONENR#NAME#EMAIL
| Deel | Betekenis |
|---|---|
xxxxxx |
het beheerderswachtwoord van 6 tekens |
x |
het volgnummer van de gebruiker op de lijst (als u 1 invult, draagt u uw beheerdersrechten over aan de andere gebruiker) |
PHONENR |
het telefoonnummer van de gebruiker |
NAME |
de naam van de gebruiker |
EMAIL |
het e-mailadres van de gebruiker |
Lijst van sms-commando's
| Commando | Gegevens | Beschrijving |
|---|---|---|
INFO |
Opvragen van informatie over de communicator: het antwoord bevat de naam van het object, de status van de partitie, het IMEI-nummer, de signaalsterkte van het mobiele netwerk, de firmwareversie en het serienummer. Voorbeeld: INFO 123456 |
|
RESET |
Het apparaat opnieuw opstarten. Voorbeeld: RESET 123456 |
|
OUTPUTx |
ON |
Uitgang inschakelen; „x” is het nummer van de uitgang. Voorbeeld: OUTPUT1 123456 ON |
OUTPUTx |
OFF |
Uitgang uitschakelen; „x” is het nummer van de uitgang. Voorbeeld: OUTPUT1 123456 OFF |
OUTPUTx |
PULSE=ttt |
Uitgang een paar seconden inschakelen: „x” is het nummer van de OUT-uitgang, „ttt” is een getal van drie cijfers, de pulstijd in seconden. Voorbeeld: OUTPUT1 123456 PULSE=002 |
PSW |
nieuw wachtwoord | Wachtwoord wijzigen. Voorbeeld: PSW 123456 654123 |
TIME |
YYYY/MM/DD,12:00:00 |
De datum en de tijd instellen. Voorbeeld: TIME 123456 2026/05/09,10:02:00 |
TXTA |
naam van het object | De naam van het object instellen. Voorbeeld: TXTA 123456 House |
RDR |
PhoneNR#SMStext |
Een sms doorsturen naar het opgegeven nummer; het telefoonnummer moet beginnen met een „+” en de internationale landcode. Voorbeeld: RDR 123456 +37061234567#forwarded text |
ASKI |
Sms-opvraging van de status van de ingangen (IN). Voorbeeld: ASKI 123456 |
|
ASKO |
Sms-opvraging van de status van de uitgangen (OUT). Voorbeeld: ASKO 123456 |
|
ASKT |
Sms met de waarden van alle temperatuursensoren. Voorbeeld: ASKT 123456 |
|
FRS |
De branddetectoruitgang resetten, als aan de OUT-uitgang de functie Fire sensor reset is toegewezen (paragraaf 6.7). Voorbeeld: FRS 123456 |
|
SETN |
PhoneX=PhoneNR#Name#email |
Telefoonnummer, gebruikersnaam en e-mailadres toevoegen voor gebruiker „x” („x” is de rij van het telefoonnummer op de lijst). Het telefoonnummer moet beginnen met een „+” en de internationale landcode; het telefoonnummer en de gebruikersnaam worden gescheiden door een #-teken. Voorbeeld: SETN 123456 PHONE5=+37061234567#JOHN#jonas@trikdis.lt |
SETN |
PhoneX=DEL |
Het telefoonnummer en de naam van de gebruiker uit het systeem wissen. Voorbeeld: SETN 123456 PHONE5=DEL |
UUSD |
*Uusd code# |
Een USSD-code naar de provider sturen (de naam van het commando is echt UUSD). Voorbeeld: UUSD 123456 *245# |
CONNECT |
Protegus=ON |
Verbinding maken met de Protegus-clouddienst. Voorbeeld: CONNECT 123456 PROTEGUS=ON |
CONNECT |
Protegus=OFF |
De verbinding met de Protegus-clouddienst verbreken. Voorbeeld: CONNECT 123456 PROTEGUS=OFF |
CONNECT |
Code=123456 |
De code van de Protegus-clouddienst. Voorbeeld: CONNECT 123456 CODE=123456 |
CONNECT |
IP=0.0.0.0:8000 |
Het TCP-IP-adres en de poort van het verbindingskanaal van de hoofdserver. Voorbeeld: CONNECT 123456 IP=0.0.0.0:8000 |
CONNECT |
IP=0 |
Het hoofdkanaal uitschakelen. Voorbeeld: CONNECT 123456 IP=0 |
CONNECT |
ENC=123456 |
De TRK-versleutelingssleutel. Voorbeeld: CONNECT 123456 ENC=123456 |
CONNECT |
APN=Internet |
De naam van de APN. Voorbeeld: CONNECT 123456 APN=INTERNET |
CONNECT |
USER=user |
De gebruikersnaam van de APN. Voorbeeld: CONNECT 123456 USER=User |
CONNECT |
PSW=password |
Het wachtwoord van de APN. Voorbeeld: CONNECT 123456 PSW=Password |
5.3 De PGM-uitgangen bedienen met een telefoonoproep
Als u een PGM-uitgang op afstand wilt bedienen:
- De gebruiker moet het recht hebben om de uitgangen (OUT) te bedienen (paragraaf 6.4), en aan de uitgang (OUT) moet in TrikdisConfig het type Remote control zijn toegewezen (pagina PGM, Output definition, paragraaf 6.7).
- Bel het nummer van de simkaart van de FireCom. De FireCom neemt de oproep aan en u kunt met het toetsenbord van de telefoon commando's intoetsen volgens de tabel.
| Toetsen | Functie | Beschrijving |
|---|---|---|
[uitgang]*[status]# |
de gekozen uitgang (OUT) bedienen | Schakelt de opgegeven PGM-uitgang. Status: 0 – uitgang uitgeschakeld; 1 – uitgang ingeschakeld; 2 – uitgeschakeld voor de pulstijd; 3 – ingeschakeld voor de pulstijd (de pulstijd is instelbaar in de tabel PGM van TrikdisConfig, paragraaf 6.7). De # geeft het einde van het commando aan. Voorbeelden: uitgang 1 inschakelen: 1*1#; uitgang 1 uitschakelen: 1*0#; uitgang 2 inschakelen voor de pulstijd die in de tabel PGM is opgegeven: 2*3# |
# |
het commando opnieuw beginnen | Als u een fout hebt gemaakt in het commando, druk dan op de toets # van de telefoon en toets het commando opnieuw in. |
6. De pagina's van TrikdisConfig
Dit hoofdstuk beschrijft de pagina's van het programmeervenster van TrikdisConfig, in de volgorde waarin ze in het menu links staan. De FireCom aansluiten met een USB-kabel: hoofdstuk 4; op afstand: hoofdstuk 7.
6.1 De statusbalk
Na het aansluiten en uitlezen van het apparaat (Read [F4]) ziet u onderaan het venster de belangrijkste gegevens van het apparaat:
| Opschrift | Betekenis |
|---|---|
| IMEI / Unique ID, bij een Ethernet-apparaat MAC / Unique ID | De unieke identificatie van het apparaat: bij een apparaat met simkaart de IMEI, bij een Ethernet-apparaat het MAC-adres. Hetzelfde staat op de doos en op de achterkant van het apparaat. |
| Status | De huidige bedrijfstoestand. |
| Device | Het type (typeaanduiding) van het apparaat. Controleer of hier het type van uw eigen apparaat staat. |
| SN | Serienummer. |
| BL | De versie van de bootloader. |
| FW | De versie van de firmware. |
| HW | De versie van de hardware. |
| State | De verbindingswijze: USB of op afstand (remote). |
| Administrator / Installer | Het toegangsniveau van degene die programmeert (na invoer van het wachtwoord). |
Nadat u de instellingen hebt uitgevoerd, schrijft u ze met de knop Write [F5] naar het apparaat; met de knoppen Open [F8] en Save [F9] kunt u de volledige set instellingen in een bestand opslaan en in een ander apparaat laden. Save [F9] slaat de instellingen op in een instellingenbestand, Open [F8] opent het opgeslagen bestand; de opgeslagen instellingen kunt u later ook in andere apparaten laden, zodat u meerdere apparaten snel met dezelfde instellingen kunt configureren.

Als u op de knop Read [F4] klikt, leest het programma de huidige instellingen uit die in de FireCom zijn opgeslagen en toont het ze. Stel de benodigde parameters in aan de hand van de volgende beschrijvingen van de pagina's.
6.2 Pagina „System Options”
De algemene instellingen van het apparaat, op drie tabbladen: System general, Groups en Access.
Tabblad System general

Groep General
- Object ID – als de gebeurtenissen naar de meldkamer gaan, voer dan het objectnummer in dat u van de meldkamer hebt gekregen (hexadecimaal getal van 4 tekens, 0–9, A–F). Gebruik de nummers FFFE en FFFF niet.
- Object name – de naam van het object; deze naam staat in de sms'jes die naar de gebruikers worden gestuurd.
- Test period – aangevinkt stuurt de FireCom met de ingestelde tussenpozen een „Test”-melding.
- Start test at – aangevinkt geeft u hier op hoe laat de testmeldingen worden verstuurd.
- Clear Events after reset – aangevinkt worden bij het opnieuw opstarten (reset) alle niet-verzonden gebeurtenismeldingen gewist.
- Text language – de taal van de sms-berichten: het apparaat gebruikt in de sms'jes de specifieke tekens van de gekozen taal.
- Suspend event reporting when … same events per … s – het verzenden van gebeurtenissen opschorten als het opgegeven aantal gelijke gebeurtenissen zich binnen het opgegeven aantal seconden herhaalt.
- Restore event reporting after … min – na deze tijd wordt het opschorten van het verzenden van gebeurtenissen opgeheven (0–999 minuten).
- Call – bij een gebeurtenis belt de FireCom de gebruiker(s) zo vaak. Als de oproep wordt geweigerd of aangenomen, stopt de FireCom met bellen. Eén oproep duurt 20 seconden.
- EOL Type – de nominale waarde van de weerstanden die op de detectoren zijn aangesloten (EOL – End Of Line, eindweerstand; RT + R1 + R2: RT – sabotage, R1 – 1e detector, R2 – 2e detector). De selecteerbare waarden: paragraaf 3.2.
- Communication path test – de tussenpoos waarna de communicator de reservecommunicatiekanalen controleert: hij stuurt er een melding over naar de meldkamer. Na het verzenden van de meldingen keert de communicator terug naar het primaire kanaal.
Groep SIM
- SIM card PIN – de pincode van de simkaart.
- APN – de naam van het toegangspunt voor mobiel internet van de mobiele provider. U moet het invullen als de gebeurtenismeldingen via de mobiele dataverbinding (GPRS) naar de Protegus 2-app of naar de meldkamer gaan. De gegevens van Nederlandse en andere Europese providers: APN-instelling – lijst van Europese mobiele providers.
- Login, Password – de gebruikersnaam en het wachtwoord van de APN, als de mobiele provider daarom vraagt.
- Locked ICCID – als u wilt dat de communicator alleen met een bepaalde simkaart werkt, voer dan het ICCID-nummer van de kaart in.
- Preferred operator – na het invoeren van de code van de mobiele provider maakt de communicator alleen verbinding met het netwerk van de gekozen provider. De providercode bestaat uit de MCC (landcode) en de MNC (netwerkcode).
Groep Time settings
De tijd kunt u instellen met de knop Set PC time. Als in het veld Time set Disabled staat, neemt de communicator de tijd van de computer over. Als in het veld Time set een modem of een server is gekozen, stemt de communicator zijn tijd daarop af.
- Time zone (hours) – de tijdzone van het land (Nederland: +1).
- Time set – de server waarop de interne klok van de FireCom wordt afgestemd. De synchronisatie gebeurt na het inschakelen van de communicator.
- Daylight saving time – aangevinkt schakelt de interne klok van de communicator automatisch over op zomer- en wintertijd.
- Power failure delay – als de hoofdvoeding uitvalt, wordt de melding over de stroomuitval na de opgegeven vertraging verstuurd. Wanneer de voedingsspanning terugkeert, wordt ook de melding over het herstel na de opgegeven vertraging verstuurd.
Tabblad Groups

De zones kunnen aan groepen worden toegewezen (pagina Zones, kolom Group, paragraaf 6.6). De naam van elke groep kan worden gewijzigd; de groepsnamen zijn zichtbaar in Protegus 2.
Tabblad Access
Op het tabblad Access stelt u de toegangscodes en de rechten van de installateur in.

Groep Access codes
- Administrator Code – volledige toegang tot de instellingen (af fabriek
123456). - SMS password – wachtwoord voor bediening en programmering op afstand per sms (af fabriek
123456). - Installer Code – beperkte toegang voor het wijzigen van de instellingen (af fabriek
654321).
Als de beheerderscode uit de fabriek (123456) is ingesteld, toont het programma na het indrukken van Read [F4] meteen, zonder om een code te vragen, de huidige werkingsparameters van het apparaat.
Groep Installer permissions – hier stelt de beheerder in welke parameters de installateur mag wijzigen.
Wijzig voor de veiligheid de fabriekscodes. Het sms-wachtwoord kunt u ook per sms vervangen (PSW, paragraaf 5.2).
6.3 Pagina „Reporting to CMS”
De FireCom stuurt de meldingen via internet (IP) naar de meldkamer. Aan het primaire kanaal kan een reservekanaal worden gekoppeld: dat gebruikt het apparaat als de verbinding via het primaire kanaal wegvalt. De pagina heeft twee tabbladen: Reporting en Settings.
Tabblad Reporting

De meldingen die naar de meldkamer worden gestuurd, zijn gecodeerd en met een wachtwoord beveiligd. Voor het ontvangen van de meldingen en het doorsturen ervan naar de meldkamersoftware is een Trikdis-ontvanger nodig:
- Voor IP-meldingen: het ontvangerprogramma IPcom (Windows of Linux), de IP/sms-hardwareontvanger RL14 of de meerkanaalsontvanger RM14.
Trikdis IPcom v5 Windows software-ontvanger
Trikdis IPcom v5 Linux software-ontvanger
Groep Primary channel (primair kanaal) – en op dezelfde manier de Parallel channel (parallel kanaal)
- Communication type – de manier van verbinden met de ontvanger van de meldkamer.
- Domain or IP – de domeinnaam of het IP-adres van de ontvanger.
- Port – de netwerkpoort van de ontvanger.
- Protocol – met welke codering de gebeurtenissen worden verzonden: TRK (voor Trikdis-ontvangers), DC-09_2007 of DC-09_2012 (voor universele ontvangers; bij de keuze van het SIA DC-protocol kan ook het berichtformaat SIA-DCS worden gekozen), TL150 (voor Sur-Gard-ontvangers).
- Encryption Key – 6-cijferige versleutelingssleutel; de versleutelingssleutel van de communicator moet overeenkomen met die van de ontvanger.
Als u ook voor het parallelle kanaal (Parallel channel) de parameters opgeeft, gaan de meldingen tegelijk via beide kanalen. De twee kanalen kunnen niet op dezelfde ontvanger worden ingesteld.
Groep Backup channel (reservekanaal) – en op dezelfde manier de Parallel backup channel (parallel reservekanaal). Schakel het reservekanaal in, zodat de meldingen bij het wegvallen van de verbinding via het reservekanaal gaan. De instellingen ervan zijn dezelfde als hierboven.
Tabblad Settings

Groep Settings
- Return to Primary after – na deze tijd probeert de FireCom terug te keren naar het primaire kanaal (Primary channel).
- IP PING period – de tussenpoos voor het verzenden van de interne PING-signalen die de verbinding controleren. De PING-signalen gaan alleen via een IP-kanaal; de ontvanger stuurt ze niet door naar de meldkamersoftware, zodat ze die niet belasten. De software krijgt alleen een melding als de ontvanger gedurende de ingestelde tijd geen PING van het apparaat ontvangt.
- Backup reporting after – na hoeveel mislukte verzendpogingen de FireCom via het reservekanaal (Backup channel) verstuurt: als de melding via het primaire kanaal (Primary channel) ook na zoveel pogingen niet is verzonden, verstuurt het apparaat ze via het reservekanaal.
- DNS1, DNS2 – de DNS-servers (Domain Name System) die de domeinnaam omzetten in een IP-adres. Ze zijn nodig als u in het veld Domain or IP van het kanaal een domeinnaam hebt ingevuld (en geen IP-adres). Af fabriek de DNS-servers van Google.
De PING-tussenpoos
Af fabriek stuurt de ontvanger de melding „Connection lost” (verbinding verbroken) naar de meldkamersoftware als hij gedurende drie keer de PING-tussenpoos van de communicator geen PING ontvangt: bij een IP PING period van 3 minuten bijvoorbeeld na 9 minuten. De PING-meldingen houden ook de verbinding tussen het apparaat en de ontvanger actief – de actieve verbinding is nodig voor het instellen en bedienen op afstand. We raden aan de PING-tussenpoos op maximaal 5 minuten in te stellen.
De onderstaande velden zijn alleen zichtbaar als u in het veld Protocol van het kanaal het protocol DC-09_2007 of DC-09_2012 hebt gekozen:
- Object ID in SIA DC-09 – het objectnummer; bij het DC-09-protocol komt dit nummer in de meldingen. Voer het hexadecimale nummer van 3–16 tekens in dat u van de meldkamer hebt gekregen.
- SIA DC-09 receiver No. – het nummer van de ontvanger.
- SIA DC-09 line No. – het nummer van de lijn in de ontvanger.
- Local time in SIA – aangevinkt staat in de meldingen naar de meldkamer de tijd die in de module is ingesteld.
Groep Reporting mode
Hier stelt u in hoe de communicator communiceert via de meldkamerkanalen en met Protegus 2. De verbindingstypes volgen elkaar op in volgorde: als de communicator met het verbindingstype Main type geen verbinding kan maken, schakelt hij over naar Backup type, enzovoort. Als de melding via het reserveverbindingstype de meldkamer heeft bereikt, probeert de communicator het na de opgegeven tijd opnieuw met het primaire verbindingstype (Return to main).
- Main type – het primaire verbindingstype (SIM of Ethernet (LAN)) richting de ontvanger van de meldkamer en Protegus 2.
- Backup type – het reserveverbindingstype (SIM of Ethernet (LAN)) richting de ontvanger van de meldkamer en Protegus 2.
- Backup type 2 – het tweede reserveverbindingstype (SIM of Ethernet (LAN)) richting de ontvanger van de meldkamer en Protegus 2.
- Dual path for CMS – tweewegmodus: CMS1 werkt via LAN, CMS2 via SIM. De twee kanalen en communicatiewegen werken parallel.
- Return to main (both channel) – na zoveel minuten probeert de FireCom terug te keren naar het primaire kanaal, als hij via een reservekanaal werkte.
Groep LAN network parameters
- DHCP mode – de manier van aanmelden op het lokale netwerk (LAN) (handmatig of automatisch). Aangevinkt (automatische registratiemodus) leest de FireCom de netwerkinstellingen (subnetmasker, gateway) automatisch in en krijgt hij automatisch een IP-adres.
- Static IP – statisch IP-adres in de handmatige modus.
- Subnet mask – subnetmasker in de handmatige modus.
- Default gateway – standaardgateway in de handmatige modus.
- LAN Trouble indication – aangevinkt gaat het indicatielampje van de communicator branden als de LAN-verbinding wegvalt.
Groep SIM parameters
- Disable indication of the absence of a SIM card – aangevinkt meldt de FireCom niet dat er geen simkaart in zit.
- Use dial and SMS when working over internet module – aangevinkt kan de communicator ook met een oproep en per sms worden bediend. Als het niet is aangevinkt en er een LAN-netwerk is, worden sms en oproep niet gebruikt. Als het niet is aangevinkt en er geen LAN-netwerk is, kan de FireCom nog steeds met een oproep en per sms worden bediend, en stuurt hij sms'jes naar de gebruiker.
- Disable the use of SIM card mobile data – aangevinkt gebruikt de FireCom de mobiele dataverbinding van de simkaart niet: de gegevens gaan alleen via LAN. Als het LAN-netwerk tijdelijk niet bereikbaar is, slaat de FireCom de gegevens op in zijn geheugen en verstuurt hij ze via LAN zodra het LAN terug is.
6.4 Pagina „Users & Reporting”
De instellingen van de gebruikers, de Protegus-cloud en de sms-antwoorden, op drie tabbladen: Users, Protegus en SMS answer texts. Het instellen van de sms'jes en oproepen over de gebeurtenissen van de brandmeldcentrale (tabblad SMS for Panel events): paragraaf 3.6.
Tabblad Users

Groep Users & Reporting to User
- ID – het volgnummer van de gebruiker op de lijst.
- Name – de naam van de gebruiker; deze naam staat in de gebeurtenis-sms'jes en in de app.
- Tel number – het telefoonnummer van de gebruiker waarnaar de sms'jes gaan; voer het in te beginnen met de internationale landcode (+31…). De eerste 8 telefoonnummers krijgen meldingen en oproepen over de gebeurtenissen.
- E-mail – het e-mailadres van de gebruiker: hierop krijgt hij een uitnodiging voor Protegus 2, zodat hij het systeem kan bedienen.
- PGM – aangevinkt kan de gebruiker de uitgangen op afstand (met een oproep, per sms) bedienen.
- ACK – aangevinkt stuurt de FireCom na elk ontvangen sms-commando een antwoord-sms naar de gebruiker (de tekst van de antwoorden: tabblad SMS answer texts).
- FWD – aangevinkt stuurt de FireCom sms'jes van nummers buiten het systeem (bijvoorbeeld de saldomelding van de simkaart of reclameberichten) door naar de gebruiker.
Tabblad Protegus

Groep Cloud application
- Enable cloud service – de Protegus 2-dienst inschakelen: zo wisselt de FireCom gegevens uit met de Protegus 2-app en kan hij met TrikdisConfig ook op afstand worden ingesteld (hoofdstuk 7).
- Parallel reporting – parallel verzenden: de meldingen gaan tegelijk via het primaire kanaal (Primary channel) en naar Protegus 2.
- Cloud Access Code – 6-cijferige code voor de toegang tot Protegus 2 (af fabriek
123456).
Tabblad SMS answer texts

In de kolom SMS text kunt u de tekst bewerken van de antwoorden die op de sms-commando's worden gestuurd. Hier staan ook de teksten van de sms'jes die bij het activeren van de ingangen en de uitgangen worden verstuurd.
6.5 Pagina „Modules”
De instellingen van de uitbreidingsmodules op de RS485-bus en van de brandmeldcentrale op de RS485 2-bus.
Tabblad RS485 modules

Groep RS485 modules
- ID – het volgnummer van de module op de lijst.
- Module – de gebruikte module uit de modulelijst: iO-8, iO-MO, iO-LORA, iO8-LORA, PB-LORA, REL-LORA (de aansluiting: paragraaf 3.13).
- Serial No. – verplicht getal van 6 cijfers; u vindt het op de behuizing en de verpakking van de module.
- Name – de naam van de module (vrij te kiezen).
- Firmware version – de firmwareversie van de module; deze verschijnt wanneer de FireCom de aangesloten module vindt.
Groep RS485 2 interface

Op de RS485 2-bus van de FireCom kan een brandmeldcentrale worden aangesloten: met het ESPA 4.4.4-protocol, NSC Solution, INIM Smartline, C-TEC Cast ZFP of Polon-Alfa 3000. Het aansluiten en instellen van de centrales wordt beschreven in paragraaf 3.5–3.9.
6.6 Pagina „Zones”
De instellingen van de zones (ingangen), op drie tabbladen: Zones settings, SMS & Call reporting en Zone's codes.
Tabblad Zones settings

- Zone No – het volgnummer van de zone op de lijst.
- Name – de naam van de zone; deze naam staat in de sms'jes en in de app.
- Input – welke ingang (IN) van de FireCom of van de uitbreidingsmodule bij de zone hoort.
- Group – de zone toewijzen aan een groep (de groepsnamen: paragraaf 6.2, tabblad Groups).
- Type – het type kring dat op de ingang van de zone is aangesloten: NC – normaal gesloten; NO – normaal open; EOL – met eindweerstand; EOL_T – met eindweerstand en sabotagebewaking; ATZ – normaal gesloten kring voor twee zones met eindweerstanden, zonder sabotagebewaking (kies om het te gebruiken in de ingangslijst de tweede ATZ-zone); ATZ_T – normaal gesloten kring voor twee zones met eindweerstanden, met sabotagebewaking (kies om het te gebruiken in de ingangslijst de tweede ATZ-zone). De aansluitschema's: paragraaf 3.2.
- CMS – aangevinkt gaat er een melding over de gebeurtenissen van de zone naar de meldkamer.
- Prot. – aangevinkt gaat er een melding over de gebeurtenissen van de zone naar de Protegus 2-app.
- Delay – de reactietijd van de ingang (IN) in milliseconden.
Tabblad SMS & Call reporting
Dit tabblad verschijnt alleen als u op de pagina Users & Reporting minstens één telefoonnummer van een gebruiker hebt ingevoerd.

- Zn – het nummer van de zone met het kenwoord van de gebeurtenis: Event (gebeurtenis) of Restore (herstel).
- User SMS/Call – bij elke zonegebeurtenis kunt u kiezen of de gebruiker een sms en/of een oproep krijgt.
Tabblad Zone's codes

Als de zone wordt geactiveerd, stuurt de communicator een gebeurtenismelding. Bij de ingang hoort een Contact ID-code (SIA-code); die gaat naar de meldkamer en naar Protegus 2.
- Enable – over de aangevinkte gebeurtenisvelden gaat een melding naar de meldkamer en naar Protegus 2.
- E/R – welk gebeurtenistype bij het activeren van de ingang wordt verzonden: Event (E, gebeurtenis) of Restore (R, herstel).
- CID – de gebeurteniscode; voer ze in of laat de fabriekswaarde staan.
- SIA – de SIA-gebeurteniscodes.
- Group – het groepsnummer dat bij het optreden van de gebeurtenis wordt verzonden.
- Zone – het zonenummer dat bij het optreden van de gebeurtenis wordt verzonden.
6.7 Pagina „PGM”
De instellingen van de PGM-uitgangen, op vier tabbladen: Outputs, Set Action, Scheduler en SMS & Call reporting.
Tabblad Outputs

- PGM No – het volgnummer van de PGM-uitgang op de lijst.
- Name – de naam van de PGM-uitgang.
- PGM output – de uitgang (OUT) die aan de PGM is toegewezen: van de FireCom of van een extern apparaat.
- Output definition – de werkingsmodus van de uitgang (OUT) (op de afbeelding Remote Control).
- Pulse time, s – de duur van het inschakelen van de uitgang (OUT), 0–9999 seconden.
- CMS – aangevinkt gaat er een melding over de gekozen gebeurtenissen naar de meldkamer.
- Prot. – aangevinkt gaat er een melding over de gebeurtenissen van de uitgang naar de Protegus 2-app.
Tabblad Set Action

- ID – het volgnummer van de uitgang op de lijst.
- Enable – het PGM-werkingsalgoritme inschakelen.
- PGM No. – de uitgang (OUT) die de communicator aanstuurt wanneer de gebeurtenis optreedt die in de kolommen Factor, Factor No., Start when en Set value is beschreven.
- Action – de handeling:
- PGM OFF – de toestand van de uitgang (OUT): uitgeschakeld („Off”).
- PGM ON – de toestand van de uitgang (OUT): ingeschakeld („On”).
- Pulse OFF – de begintoestand van de uitgang (OUT) is ingeschakeld („On”); na het commando schakelt hij voor de pulstijd (Pulse time) uit („Off”) en keert daarna automatisch terug naar de ingeschakelde begintoestand.
- Pulse ON – de begintoestand van de uitgang (OUT) is uitgeschakeld („Off”); na het commando schakelt hij voor de pulstijd (Pulse time) in („On”) en keert daarna automatisch terug naar de uitgeschakelde begintoestand.
- Pulse time, s – de pulstijd, 0–9999 seconden.
- Factor / Factor No. – welke gebeurtenis de uitgang (OUT) inschakelt: zone (Zone), ontvangst van een sms (SMS received) of sabotage van een zone (Zone tamper).
- Start when – extra voorwaarde voor het inschakelen van de uitgang (OUT), afhankelijk van de gebeurtenis Factor.
- Set value – afhankelijk van de voorwaarde die in de kolom Factor is gekozen, kunt u hier een waarde opgeven (de tekst van de ontvangen sms). Als de communicator deze waarde herkent, voert hij de handeling uit die in de kolom Action is gekozen. U kunt de tekst van de sms met %-tekens indelen: de %-tekens scheiden het sleutelwoord dat de toestand van de uitgang wijzigt af van de volledige ontvangen sms.
| Patroon | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
%…..% |
een deel van de tekst van de ontvangen sms moet overeenkomen met de tekst tussen de %-tekens | %hoUSe% – de sms moet de tekst „hoUSe” bevatten; bijvoorbeeld VacationhoUSe25864 |
…..% |
het begin van de ontvangen sms moet overeenkomen met de tekst tot aan het %-teken | hoUSe% – de sms moet beginnen met de tekst „hoUSe”; bijvoorbeeld hoUSeddss |
%….. |
het einde van de ontvangen sms moet overeenkomen met de tekst na het %-teken | %hoUSe – de sms moet eindigen op de tekst „hoUSe”; bijvoorbeeld 1144hoUSe |
In de tekst van de sms is het verschil tussen kleine letters en hoofdletters van belang.
Tabblad Scheduler

- ID – het volgnummer van de planning op de lijst.
- Enable – de planning inschakelen.
- Start time – wanneer de uitgang (OUT) inschakelt – het begin van de planning.
- Stop time – wanneer de uitgang (OUT) uitschakelt – het einde van de planning.
- Mon – Sun – de dagen van de week waarop de uitgang (OUT) moet in- of uitschakelen.
Tabblad SMS & Call reporting
Dit tabblad verschijnt alleen als u op de pagina Users & Reporting minstens één telefoonnummer van een gebruiker hebt ingevoerd. Deze instellingen kunnen alleen voor de eerste 8 gebruikers gelden.

- PGM – het nummer van de uitgang (OUT) en het type gebeurtenis: Event – inschakelen van de uitgang; Restore – uitschakelen van de uitgang.
- User SMS/Call – u kunt kiezen welke gebruikers een sms en/of een oproep krijgen bij het in- en uitschakelen van de uitgang (OUT).
6.8 Pagina „Sensors”
De instellingen van de temperatuursensoren (de aansluiting: paragraaf 3.10).

- ID – het volgnummer van de temperatuursensor op de lijst.
- Module type – de temperatuursensor die aan de rij (ID) is toegewezen.
- Serial No. – het serienummer van de sensor; de communicator leest het uit.
- Sensor name – de naam van de sensor.
- Max – als de temperatuur hoger is, wordt er een gebeurtenismelding aangemaakt; daarvoor moet het vakje High zijn aangevinkt.
- Min – als de temperatuur lager is, wordt er een gebeurtenismelding aangemaakt; daarvoor moet het vakje Low zijn aangevinkt.
- Delay – de gebeurtenis wordt verzonden als de gemeten waarde van de sensor binnen de ingestelde tijd de waarde Max of Min overschrijdt. Geef de tijd op in minuten.
- Sensor type – het type van de aangesloten temperatuursensor: Dallas 1Wire – van dit type sensor kunnen er maximaal 8 worden aangesloten, en de communicator wijst ze automatisch toe; Humidity & Temperature – er kan één temperatuur- en vochtigheidssensor AM2301 worden aangesloten; als u die gebruikt, moet hij in de kolom Module type handmatig worden toegewezen.
6.9 Pagina „System events”
De instellingen van de eigen (systeem)gebeurtenissen van de communicator, op twee tabbladen: Events en SMS & Call reporting.
Tabblad Events

- ID – het volgnummer van de gebeurtenis op de lijst.
- Event name – de naam van de gebeurtenis.
- Enable – het bewaken van de gebeurtenis inschakelen.
- CMS – over de gekozen gebeurtenissen gaat een melding naar de meldkamer.
- Prot. – over de gekozen gebeurtenissen gaat een melding naar de Protegus 2-app.
- CID Code – de Contact ID-code van de gebeurtenis.
- SMS event text – de sms-tekst van de gebeurtenis.
- SMS restore text – de sms-tekst van het herstel.
Tabblad SMS & Call reporting
Dit tabblad verschijnt alleen als u op de pagina Users & Reporting minstens één telefoonnummer van een gebruiker hebt ingevoerd.

- ID – het volgnummer en het kenwoord van de gebeurtenis (Event, Restore).
- Event SMS text – de tekst van de gebeurtenis die in het sms-bericht komt.
- User SMS/Call – bij elke gebeurtenis kunt u kiezen of de gebruiker een sms en/of een oproep krijgt.
6.10 Pagina „Events Log”
Hier kunt u het gebeurtenislogboek van het apparaat uitlezen en wissen.

- Read Log – de knop leest het gebeurtenislogboek uit het geheugen van het apparaat.
- Clear Log – de knop wist de logboekvermeldingen uit het geheugen van het apparaat.
- In de tabel ziet u het volgnummer (Event No.), het tijdstip (Time), de CID-code en de beschrijving (Event definition) van de gebeurtenis. Het logboek toont maximaal 1000 gebeurtenissen die in het geheugen van de FireCom zijn opgeslagen.
6.11 Fabrieksinstellingen herstellen
Klik op de knop Restore van TrikdisConfig om de fabrieksinstellingen van de FireCom te herstellen.

Als u de huidige instellingen later misschien nog nodig hebt, sla ze dan vóór het herstellen op in een bestand met de knop Save [F9] (paragraaf 6.1).
7. Programmeren op afstand
U kunt de instellingen van de FireCom via de Protegus-cloud ook op afstand uitlezen en wijzigen met TrikdisConfig – u hoeft niet naar de locatie te gaan.
Voorwaarden voor programmeren op afstand
Instellen op afstand werkt alleen als in de FireCom:
- een geactiveerde simkaart zit en u de pincode hebt ingevoerd of uitgeschakeld;
- de Protegus-dienst is ingeschakeld (Users & Reporting → Enable cloud service, paragraaf 6.4);
- de voeding is ingeschakeld (het indicatielampje STA knippert groen);
- hij met het netwerk is verbonden (het indicatielampje SIM brandt continu groen en knippert geel, en/of bij een LAN-verbinding brandt het indicatielampje ETH groen).
Als het indicatielampje SIM of DAT continu geel brandt, kan het apparaat geen verbinding maken met het mobiele netwerk en/of met Protegus 2.
- Start TrikdisConfig op de computer.
- Voer in het deel Remote access, in het veld Unique ID, de unieke identificatie van de FireCom in (Unique ID). Dit nummer vindt u op de achterkant van het apparaat en op de verpakking.

- (Niet verplicht) Voer in het veld System Name een naam voor het apparaat in (bijvoorbeeld de naam van het object).
- Klik op de knop Configure.
- Klik in het venster dat opent op de knop Read [F4]. Als het programma erom vraagt, voer dan de beheerders- of de installateurscode in.
- Klik aan het einde van de instellingen op de knop Write [F5]. Als u klaar bent met TrikdisConfig, klik dan op de knop Disconnect.
8. De werking controleren
Test aan het einde van het instellen en de installatie het hele systeem:
- Activeer een ingang om die te controleren. Kijk of de gebeurtenis is aangekomen bij de meldkamer en/of in de Protegus 2-app.
- Schakel de uitgangen op afstand in om ze te controleren, en controleer hun werking. Ga na of de gebeurtenissen zijn aangekomen bij de meldkamer en/of in de Protegus 2-app.
- Voer een brandalarmtest uit en controleer of de meldkamer de gebeurtenissen correct ontvangt.
Het indicatielampje DAT (op de voorkant DATA) toont of de meldingen zijn verzonden: als het niet brandt, zijn alle gebeurtenismeldingen verzonden; bij een continu groen licht wordt er een melding verzonden; als DAT continu geel brandt, staan er niet-verzonden gebeurtenismeldingen in de buffer (paragraaf 1.5).
U kunt de gegevens van de communicator, de status van de in- en uitgangen en de waarden van de temperatuursensoren ook per sms opvragen: INFO 123456, ASKI 123456, ASKO 123456, ASKT 123456 (vervang 123456 door uw eigen sms-wachtwoord; paragraaf 5.2).
9. Firmware bijwerken
Als u de FireCom op TrikdisConfig aansluit en er een nieuwere firmware is, biedt het programma de update zelf aan – daarvoor moet de computer met het internet verbonden zijn. Een virusscanner, een firewall of strenge instellingen voor internettoegang kunnen de automatische update blokkeren; in dat geval moet u de instellingen van de virusscanner aanpassen.
U kunt de firmware zelf bijwerken – naar een nieuwere en zo nodig ook naar een oudere versie. Na de update blijven alle instellingen van het apparaat ongewijzigd.
- Start de TrikdisConfig-software en sluit het apparaat aan met een USB-kabel, of open de programmering ervan op afstand.
- Als er nieuwere firmware is, biedt het programma aan deze te downloaden – accepteer dat.
- Kies de pagina Firmware en klik op de knop Open firmware. Selecteer het firmwarebestand.
- Druk op de knop Update [F12], wacht tot de update is voltooid en klik daarna in het pop-upvenster op OK. Trek intussen de kabel niet los en onderbreek de verbinding niet.
De firmwarebestanden staan in de installatiemap van TrikdisConfig, in de submap Firmwares, in de map met de naam van het apparaat. Als er geen zo'n map is, is er ofwel geen update voor, ofwel moet de TrikdisConfig-software zelf worden bijgewerkt. De nieuwste bestanden kunt u als geregistreerde gebruiker ook downloaden van de website van de fabrikant, op de pagina van het apparaat.
Sluit de FireCom met een USB Type-C-kabel aan op de computer, of maak op afstand verbinding (hoofdstuk 7).
![TrikdisConfig – FireCom, pagina **Firmware**: het veld **Open firmware file**, de knop **Open firmware**, de knop **Update [F12]** en de voortgangsbalk.](/image/catalog/content/manuals/firecom/tc_firmware.png)
10. Probleemoplossing en veelgestelde vragen
Als de communicator niet doet wat u verwacht, kijk dan eerst naar de indicatielampjes (paragraaf 1.5) en daarna naar de onderstaande punten.
Het indicatielampje STA (op de voorkant TROUBLE) knippert rood – wat betekent het aantal knipperingen?
Het aantal knipperingen geeft de oorzaak van de storing aan: 1 – er is geen simkaart geplaatst; 2 – de pincode van de simkaart is onjuist (System Options → SIM card PIN, paragraaf 6.2); 3 – kan geen verbinding maken met het mobiele netwerk; 4 – kan via het primaire kanaal geen verbinding maken met de IP-ontvanger (Reporting to CMS, paragraaf 6.3); 5 – kan via het reservekanaal geen verbinding maken met de IP-ontvanger; 6 – er is geen DC-voedingsspanning (paragraaf 2.1); 7 – storing van de AUX-uitgang (overstroom of overspanning); 8 – accustoring (paragraaf 2.2); 9 – de LAN-kabel is niet aangesloten; 10 – DHCP-fout op het lokale netwerk (LAN network parameters, paragraaf 6.3).
Het indicatielampje FPS (op de voorkant POWER) knippert groen – wat is er mis?
1 keer groen knipperen: er is geen netspanning (AC). 2 keer groen knipperen: de spanning van de reservevoeding (accu) is onvoldoende (paragraaf 2.2). Als het indicatielampje continu groen brandt, is er geen probleem met de voeding (paragraaf 1.5).
Hoe vaak moet het indicatielampje SIM geel knipperen?
Het aantal gele knipperingen toont de signaalsterkte van het mobiele netwerk: op een 4G-netwerk is 3 keer knipperen al voldoende. Als u minder gele knipperingen telt, is de signaalsterkte onvoldoende: kies een andere plaats voor de communicator, verplaats de antenne of gebruik een gevoeligere mobiele antenne (paragraaf 1.6 en 3.14). Als geen enkel indicatielampje van de FireCom brandt, controleer dan de voeding en de aansluiting.
Het indicatielampje ETH knippert groen
De LAN-kabel is niet aangesloten, of er is een DHCP-fout (paragraaf 1.5). Controleer de kabel en de router. Bij automatische adrestoewijzing moet DHCP mode zijn aangevinkt; bij handmatige instelling vult u de velden Static IP, Subnet mask en Default gateway in (Reporting to CMS → Settings, LAN network parameters, paragraaf 6.3). Waaraan het netwerk moet voldoen: paragraaf 3.1.
Protegus 2 vindt de communicator niet
- Controleer de voorwaarden voor het toevoegen: een geactiveerde simkaart, een ingevoerde of uitgeschakelde pincode, een ingeschakelde Protegus-dienst (Users & Reporting → Enable cloud service, paragraaf 6.4), een groen knipperend STA, en een continu groen en geel knipperend SIM-lampje en/of een groen ETH-lampje (paragraaf 5.1).
- Als het indicatielampje SIM of DAT continu geel brandt, kan het apparaat geen verbinding maken met het mobiele netwerk en/of met Protegus 2 (hoofdstuk 7). Controleer de instelling van de APN (paragraaf 6.2).
- Als de Cloud Access Code niet de fabriekswaarde
123456is, voer dan bij het toevoegen de juiste code in (paragraaf 4.1).
Ik kan de uitgangen niet bedienen met een oproep of een sms
- Met een sms en een oproep kan alleen worden bediend vanaf de telefoonnummers op de gebruikerslijst (paragraaf 5.2).
- De gebruiker moet het recht hebben om de uitgangen te bedienen (vakje PGM, paragraaf 6.4), en aan de uitgang moet de definitie Remote control zijn toegewezen (Output definition, paragraaf 6.7).
- Controleer het vakje Use dial and SMS when working over internet module (paragraaf 6.3): als het niet is aangevinkt en er een LAN-netwerk is, worden oproep en sms niet gebruikt.
Ik krijg geen antwoord op mijn sms-commando's
Voor de antwoord-sms moet bij de gebruiker het vakje ACK zijn aangevinkt (Users & Reporting, paragraaf 6.4). De tekst van de antwoorden kunt u bewerken op het tabblad SMS answer texts.
Kunnen de gegevens alleen via het lokale netwerk (LAN) gaan?
Ja. Als u het vakje Disable the use of SIM card mobile data aanvinkt, gebruikt de FireCom de mobiele dataverbinding van de simkaart niet: de gegevens gaan alleen via LAN. Als het LAN tijdelijk niet bereikbaar is, slaat de communicator de gegevens op in zijn geheugen en verstuurt hij ze zodra het LAN terug is. Als er geen simkaart in de communicator zit, kunt u de melding daarvan uitschakelen met het vakje Disable indication of the absence of a SIM card (paragraaf 6.3).
Hoeveel rookmelders kunnen op de klem FLOOP worden aangesloten?
Maximaal 8 tweedraadse branddetectoren met een alarmstroom van meer dan 10 mA. Na de laatste detector is een eindweerstand van 2,2 kΩ nodig, en op de pagina Zones moet als ingang van de zone de ingang FC Fire sensor (FLOOP input) worden gekozen (paragraaf 3.3 en 6.6). Als u de detectoren op een IO-ingang aansluit, staan de aansluitschema's op dezelfde plaats.
Welke en hoeveel temperatuursensoren kunnen worden aangesloten?
Maximaal 8 temperatuursensoren Maxim® / Dallas® DS18S20 of DS18B20, of 1 vochtigheids- en temperatuursensor AM2301. De Dallas-sensoren wijst de communicator automatisch toe, de AM2301 moet op de pagina Sensors handmatig worden toegewezen (paragraaf 3.10 en 6.8). De waarden kunt u ook per sms opvragen: ASKT (paragraaf 5.2).
Welke accu is nodig?
Een 12 V-loodaccu van 4 Ah of 7 Ah (paragraaf 1.2 en 2.1). Volgens de norm EN 54 moet de accu binnen 24 uur tot 80 % van zijn capaciteit worden opgeladen, en de rest moet hij in de daaropvolgende 48 uur bereiken (paragraaf 3.1). Bij 11,5 V wordt een melding Low Battery verstuurd, onder 9,5 V wordt de accu afgekoppeld (paragraaf 2.2).
Hoe weet de brandmeldcentrale dat de melding de meldkamer heeft bereikt?
Volgens de norm EN 54 moet de centrale op de hoogte zijn van een storing in de verbinding met de meldkamer en van de geslaagde ontvangst van de meldingen. Daarvoor moeten twee PGM-uitgangen van de communicator worden aangesloten op de daarvoor bestemde ingangen van de centrale: de uitgang Relay1, ingesteld op CMS fail, schakelt in als het communicatiekanaal wegvalt; de uitgang Relay2, ingesteld op ACK received, schakelt 5 seconden in als de melding de meldkamer heeft bereikt (paragraaf 3.12).
INIM Smartline: waar moet ik op letten?
De centrale moet in het programma SmartLeague in de slave-modus worden gezet. Als er op de centrale repeaters (nevenpanelen) zijn aangesloten, kan de FireCom niet via de RS485-bus worden aangesloten; en als de FireCom op de RS485-bus van de centrale is aangesloten, worden de iO-uitbreidingsmodules niet ondersteund (paragraaf 3.7).
NSC Solution: de centrale ziet de communicator niet
Na het instellen van de FireCom moeten op de centrale de op de RS485-bus aangesloten modules worden opgezocht (gescand) (SCAN RS485, paragraaf 3.6). Het NSC slave address mag niet gelijk zijn aan het adres van de modules die op de centrale zijn aangesloten.
11. Veiligheidsvoorschriften
Let op!
Elektriciteit kan gevaarlijk zijn en persoonlijk letsel of de DOOD veroorzaken, evenals andere financiële verliezen of schade als het niet correct wordt gebruikt of geïnstalleerd.
De installatie omvat werkzaamheden aan elektrische apparatuur en dient te worden uitgevoerd in overeenstemming met de geldende voorschriften.
Voor geldigheid van de garantie dient het apparaat te worden geïnstalleerd door een gekwalificeerde persoon die de installatievoorschriften voor elektrische apparatuur naleeft en de geldende voorschriften voor de veilige bediening van elektrische apparatuur in acht neemt.
- De communicator mag alleen door een gekwalificeerde persoon worden geïnstalleerd en onderhouden.
- Lees vóór de installatie deze handleiding aandachtig door, om fouten te voorkomen die tot een verkeerde werking of zelfs tot schade aan de apparatuur kunnen leiden.
- Maak vóór elke elektrische aansluiting de voedingsspanning los.
- Wijzigingen, moderniseringen of reparaties die niet door de fabrikant zijn toegestaan, leiden tot verlies van de garantie.
- Houd u aan de plaatselijke voorschriften voor afvalverwerking: gooi het apparaat en de onderdelen ervan niet bij het huishoudelijk afval – lever het afgedankte apparaat in als elektronisch afval.
Zie ook
- In- en uitgangsuitbreiding iO8 – installatiehandleiding – de uitbreidingsmodule iO-8 voor de FireCom.
- APN-instelling – lijst van Europese mobiele providers – als de mobiele dataverbinding niet tot stand komt.
- Protegus-app voor Android / iPhone en web – over de app.
- Protegus 2-bedrijfsaccount (Business Account) – meerdere systemen beheren als installateur.
- Engelstalige versie: docs.trikdis.com – Communicator FIRECOM for fire alarm control panels.
De handleidingen op docs.trikdis.com zijn in het Engels.


